Zeg de zin na.

(1) De eerste klap is een daalder waard?De ..........
De .......... (7 woorden)De eerste klap is een daalder waard?
(2) Het is koud en de kinderen kunnen schaatsen.Het ..........
Het .......... (8 woorden)Het is koud en de kinderen kunnen schaatsen.
(3) Het vriest dat het kraakt.Het ..........
Het .......... (5 woorden)Het vriest dat het kraakt.
(4) De verkoper weegt de appels op een weegschaal.De ..........
De .......... (8 woorden)De verkoper weegt de appels op een weegschaal.
(5) De inbreker wordt door de politie gearresteerd.De ..........
De .......... (7 woorden)De inbreker wordt door de politie gearresteerd.
(6) De schaatser schaast op het ijs in de kou.De ..........
De .......... (9 woorden)De schaatser schaast op het ijs in de kou.
(7) Hoe laat vertrekt de trein?Hoe ..........
Hoe .......... ( woorden)Hoe laat vertrekt de trein?
(8) De werknemers krijgen ontslag.De ..........
De .......... (4 woorden)De werknemers krijgen ontslag.
(9) Hij weet niet meer wat hij moet zeggen.Hij .........
Hij ......... (8 woorden)Hij weet niet meer wat hij moet zeggen.
(10) De krant brengt het nieuws van vandaag.De .........
De ......... (7 woorden)De krant brengt het nieuws van vandaag.