De Statenbijbel (1637).
Moslims lezen in de Koran.
Joden lezen in de Torah.
En Christenen lezen de Bijbel.
In de Bijbel staan de verhalen over de God van de
Christenen.
En in de Bijbel staan de verhalen over Jezus.
Voor 1566 waren de meeste mensen in Nederland katholiek.
Ze geloofden in de kerk van Rome.
De paus was
de leider van deze kerk.
Maar veel mensen in Nederland waren ontevreden.
Ze waren boos omdat ze geen werk hadden.
Ze waren boos omdat ze weinig geld hadden.
Mensen waren vooral boos op de rijke katholieke kerk.
De katholieke kerk deed te weinig om de arme mensen te helpen.
Steeds meer mensen keerden zich
tegen de katholieke kerk.
Ze werden protestant.
De Bijbel van de katholieken is
geschreven in het Latijn, de taal
van Rome en van de Paus.
Katholieken konden de Bijbel
niet zelf lezen.
De leiders van de katholieke
kerk moesten de teksten van de Bijbel uitleggen.
Ze vertelden de mensen wat er in
de Bijbel stond.
Protestanten dachten daar anders
over.
Zij vonden dat iedereen de
Bijbel moest kunnen lezen.
Iedereen moest de Bijbel thuis
kunnen lezen.
Daarom vonden protestanten
dat de Bijbel moest worden vertaald in
het Nederlands.
In 1628 begonnen geleerden de Bijbel te vertalen.
Negen jaar later (in 1637) was de vertaling klaar.
Deze Bijbel heette "de Statenbijbel", de bijbel
die voortaan moest worden gebruikt.
Nederland bestond in 1637 uit zeven
provincies.
Deze provincies werden staten genoemd.
In iedere staat spraken mensen een andere taal.
Iemand uit de provincie Zeeland kon
iemand uit Groningen niet
verstaan.
Aan de Statenbijbel werkten mensen mee uit de meeste staten.
Zo ontstond één gezamenlijke taal: het Nederlands.
Eén taal die mensen in alle staten leerden gebruiken.
De Statenbijbel was 300 jaar voor veel Nederlanders een
belangrijk boek.
Ze lazen dit boek.
Ze praatten over de verhalen in dit boek.
Ze haalden hun kennis uit
dit boek.
Zo kon de Statenbijbel bijdragen aan het ontstaan van
één
gemeenschappelijke taal: het Nederlands.
.