Noord-Holland is een provincie in het westen
van Nederland.
Deze provincie ligt
lager dan de zee.
De dijken daar moeten
het water van de zee tegenhouden.
Voor 1607 was Noord-Holland niet goed
beschermd tegen de kracht van het water.
Grote stukken land verdwijnen in de zee.
De dijken waren te laag.
Ze waren niet sterk genoeg en ze braken als
het stormde.
Noord-Holland werd steeds smaller en grond werd schaars.
In 1607 was de Beemster een groot stuk water
in Noord Holland.
Het was een meer dat na iedere storm groter
werd.
In 1607 beslisten rijke
mensen uit Amsterdam om van de Beemster een polder te maken.
De Beemster moest worden drooggemalen.
Dan zou een groot deel van Noord-Holland
beter beschermd zijn tegen het water.
Ook woonden in Amsterdam steeds meer mensen.
Deze mensen moesten eten.
Daardoor was er meer land nodig om voedsel te verbouwen.
Vanaf 1607 werd van de Beemster een polder gemaakt.
Het was een groot, duur en ingewikkeld werk.
De leiding had
Jan Adriaanszoon Leeghwater.
Hij was molenmaker van beroep.
Rondom het meer werd een dijk gebouwd.
Jan Adriaanszoon Leeghwater liet 43 molens
maken.
Deze molens
pompten de Beemster leeg.